De boerderijen (1)

De Saksische boerderijen in deze omgeving waren in 1817 allemaal nog van het "Löshoes" type.

Op het Kadastrale Minuutplan van dat jaar zijn ze goed te herkennen aan de plattegrond, door o.m. de verdiepte ligging van de deeldeur t.o.v. de boven-achtergevel, de z.g. "onderschoer". Hierboven is dat duidelijk te zien aan b.v. de bebouwing van het kadastrale perceel 217 " 't Ülenrief " in de Windshoek en hieronder aan het perceel 229 " 't Hofste" in de Wateregge. Daaronder de tekening van de laatst genoemde boerderij door Jan Jans.

"Erve Hofstede" in de Wateregge in 1817.

De Saksische boerderij "Erve Hofstede" van het type "Lös-hoes", met duidelijk de z.g. "onderschoer".    Tekening Jan Jans.

Ongetwijfeld waren het toen al pachtboerderijen van de toenmalige graaf Adolph Frederik Lodewijk van Rechteren-Limpurg, die op het kasteel aan het begin van de Gravenallee woonde. Tijdens de Franse overheersing werden in 1798 zijn heerlijke rechten afgeschaft, maar in 1814 weer in ere hersteld.

Kasteel Almelo.

In het midden van de 19e eeuw zijn deze boerderijen afgebroken en ongeveer op dezelfde plaats in Saksische stijl herbouwd. De foto van de achtergevel van de boerderij van Hammink, is daar een goed voorbeeld van. Zie hoofdstuk "Jeugd (2)". Deze pachtboerderijen hebben allemaal een witte gevelsteen in de voorgevel met daarop de "Gravenkroon", de letters RL (van Rechteren-Limpurg) en het bouwjaartal in reliëf. Hieronder is de steen van de boerderij van Smit afgebeeld met jaartal van de bouw.

De boerderij van Kamp had een speciale plaats in de Windshoek. Met name in het laatste oorlogsjaar 1944/45 ontstond er, door de grote schaarste aan voedsel, een ruilhandel met o.m. de familie Kamp. Niet alleen aardappelen, melk en eieren, maar ook  suikerbieten, waar mijn moeder een zoete bruine stroop van kookte, waren erg gewild. In die zelfde tijd hebben Duitse soldaten in de Windhoek, aan het begin van het weggetje naar boer Kamp, d.m.v. seismografisch onderzoek, naar aardolie gezocht. In een diep geboord gat lieten ze dynamiet ontploffen. Of er iets gevonden werd is mij onbekend. Tot een eventuele exploitatie is het in ieder geval ooit gekomen. Ze hadden er gelukkig de tijd niet meer voor. Van de overtollige draden, die nodig waren voor de ontsteking, vlochten we mandjes. Nog herinner me ik de speciale geur van de kunststof waarmee ze omwikkeld waren.

Wanneer er iets te vieren viel, zoals b.v. een zilveren bruiloft, werd de hele buurt bij Kamp uitgenodigd, dus ook mijn ouders. Wellicht kwam dat omdat ze elkaar, als naaste buren, goed kenden. Mijn ouders hadden n.l. van 1927 tot 1936 wat verder in de Windslaan gewoond. Ze waren toen directe buren van de familie Kamp.

De centraal in de Windshoek gelegen boerderij van Kamp.

In 1936 kocht mijn vader aan het begin van de Windslaan, die toen nog de Windsteeg heette, een bouwperceel van de Graaf van Rechteren-Limpurg. Het was oorspronkelijk pachtgrondgrond van boer Kamp. Daar liet mijn vader een villa bouwen waar ik in 1938 ben geboren. Zie hoofdstuk "Boerderijen (1)"

Ons gloednieuwe huis aan de Windslaan omstreeks 1937, met mijn broer Piet op de regenton.

Tegen het einde van de 2e Wereldoorlog en de jaren daarna kwam ik vaak spelen op de boerderij van boer Kamp met zijn de kinderen, die van mijn leeftijd waren. Op zo'n boerderij is immers altijd wel wat te doen.

Nog herinner ik mij het verstoppetje spelen op de grote hooizolder van de "Schöppe", een grote schuur voor het stallen van de boerenwagens en voor hooiopslag. Ook at ik daar wel eens met de familie mee. Dat vond plaats aan een grote ronde tafel op het einde van de deel, waar het kookfornuis stond en waar door de week ook gegeten werd. Wanneer de koeien op stal stonden kon het er barsten van de vliegen, zo ook op de voorgeschotelde pap. Je moest dan altijd stevig "poesen" (blazen) om ze eraf te houden.

De deel waar ook gegeten werd, met koeien op stal.

Kunstmatige inseminatie bestond toen nog niet. Boer Kamp had een beroemde stamboek-fokbeer, die regelmatig "bezoek" kreeg van vrouwlijke soortgenoten uit de wijde omtrek. Dat vond dan plaats in een speciaal daarvoor ingericht houten schuurtje. Wanneer wij, nieuwsgierig geworden door het gekrijs van de varkens, het schouwspel wilden gadeslaan, werden we altijd weggejaagd. Dat gebeuren was blijkbaar niet voor onze kinderogen bestemd.

Ook speelden we wel eens in de gierton, die al een tijdje buiten gebruik was. Door het "mangat" kon je in de ton klauteren, waar nog opgedroogd gier aan de binnenkant aanwezig was. Het stonk er wel, maar ik heb het nooit een echte vieze lucht gevonden. Dat is tot op heden zo gebleven, want koeienpoep vind ik nog steeds niet echt vies ruiken, in tegenstelling tot dat van varkens en kippen.

Zie voor vervolg: Boerderijen (2).