Zomer (1)

Zomers was de Wetering één groot wit boeket van wateranemonen, afgewisseld met de paarse bloemen van de waterviolier.

Daar tussendoor beschreven de talloze blauw-zwarte schrijvertjes (ook wel draaikevertjes geheten) hun eindeloze cirkels over het water, altijd dwars door elkaar heen, zonder een botsing te maken. Een kunststukje waar je uren naar kon kijken. Soms zag je er eentje onder het water, dat tot op de bodem kraak helder was, wegduiken, genadeloos een prooi najagend. Ze hebben n.l. twee paar ogen en kunnen dus zowel boven als onder het wateroppervlak kijken. Talloos waren ook de schaatsertjes, die zomaar over het water liepen zonder er door te zakken, terwijl ze zwaarder dan het water zijn. Ze hebben n.l. aan het einde van hun pootjes vettige haartjes, die beletten dat ze er door zakken en die alleen maar deukjes op het oppervlak veroorzaken. Als je heel voorzichtig een naald op het water legt, krijg je hetzelfde effect en merk je dat er, als het ware, een uiterst dun vliesje op het water ligt.

Een schaatsertje.

Boven het water vlogen in grote getale de prachtig blauw gekleurde libellen en soms grote groe­ne glazenwassers, die we "wrattenbieters" noemden.

Tussen het vederkruid zwommen stekelbaarsjes of katvisjes zoals wij die noemden, die nog geen acht centimeter lang waren. Je probeerde ze te vangen met een vergiet, dat de Duitsers, na de oorlog bij de bevrijding van Almelo in 1945, in ons gevorderde huis hadden achtergelaten. Thuis deed ik ze in een aquarium. Met een beetje vederkruid konden ze het daarin lang uithouden.

Stekelbaarsjes of katvisjes.

Maar het was altijd een hele toer om dat aquarium waterdicht te krijgen. Met rode menie-stopverf probeerde je de lekken langs de ruiten te dichten, maar dat lukte nooit helemaal. Gelukkig heeft mijn moeder nooit ernstig bezwaar gemaakt, want dat lekken kon lelijke waterkringen veroorzaken.

Interessant waren ook de kokerjuffertjes, die er met allerlei materialen kunstig hun beschermende kokertje hadden opgebouwd. Andere insecten in en om deze sloot waren vooral de waterschorpioenen en de gevaarlijke geel gerande waterkever, een grote roofkever die in je benen kon bijten en die thans helaas geheel uit Nederland is verdwenen.

Waterschorpioen met larve.

In het voorjaar was de Wetering op verschillende plekken verdikt door grote hoeveelheden kikkerdril, die in de warme zon lagen te schitteren. Ook dat nam je wel eens mee naar huis, om in een Weckglas de dikkoppen langzaam te zien veranderen in kleine kikkertjes. Het was nog echt in de romantische tijd van het gedichtje: "Daar zaten zeven kikkertjes al in een boeren sloot". 's Nachts kon ik ze vanuit mijn slaapkamer luid horen kwaken in de Wetering.

Schoolplaat "In de Weide" van M.A. Koekkoek.

Langs de oever groeide o.m. de gele lis, de waterviolier, verschillende soorten spirea en de geurige watermint. In gedachten ruik ik nog steeds de sterke mintgeur die dan, bij het fijnwrijven tussen je vingers van een blad, vrijkwam.

Zie voor vervolg: zomer (2).